Hallehuizen
De boerderijen die behoren tot de hallehuisgroep zijn het meest voorkomende type in Nederland. Deze hallehuisboerderijen zien we met name in de provincies Drenthe, Overijssel, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Tot deze groep behoren onder andere het los hoes, de T-boerderij en de krukhuis-boerderij, de Rijnlandse boerderij, de boerderij van de weidegebieden en de langgevelboerderij.
|
Kenmerkend zijn de compacte, rechthoekige plattegrond, de lage zijgevels en de laag aflopende dakvlakken. Het houtskelet bestaat uit een aantal ankerbalk gebinten. Bij dit gebint is de verbindings-balk tussen de verticale stijlen verlaagd aangebracht. Daardoor is er een extra grote zolderruimte ontstaan die meer ruimte biedt voor oogstopslag.De muren van het hallehuis staan vrij om de houtconstructie heen, waardoor het een drie-beukige indeling heeft. Het woongedeelte, de veestalling, de opslagplaats voor de oogst en de werkruimte zijn bij dit boerderijtype vaak onder één dak ondergebracht. Bij de eenvoudigste hallehuizen was de middenbeuk van het achterhuis open en ingericht als deel, waar bijvoorbeeld dorswerk werd verricht. Brede inrijdeuren in de achtergevel gaven toegang tot de deel. De stallen voor het vee lagen in de smalle zijbeuken.
Boerderijen in Utrecht
In Utrecht komen het oorspronkelijke hallehuis, het hallehuis met uigebouwd voorhuis en de boerderij van de weidegronden voor. Hier vindt u een beschrijving van deze boerderijtypen.
Boerderij van de weidegebieden
In de vochtige veengebieden van Utrecht lag het accent al vanaf de Middeleeuwen op de veeteelt. De deel van de boerderijen werd daardoor alleen nog als voergang gebruikt en niet meer om te dorsen. Het gevolg was dat de brede deeldeuren meestal werden vervangen door een smalle deur. Vanaf de negentiende eeuw zijn veel van deze boerderijen verlengd. Daarbij werd meestal ook de woning met een travee uitgebreid. De boerderij kreeg dan, onder een opwelvend dak of topgeveltje, een venster en een deur in de zijgevel.
Hallehuis met uitgebouwd voorhuis
In Utrecht komen ook hallehuisboerderijen voor met een uitgebouwd voorhuis. Hun uiterlijk komt in veel opzichten overeen met dat van de boerderijen uit het Gelderse rivierengebied. De eerste, uitgebouwde voorhuizen waren het resultaat van een geleidelijke ontwikkeling. Later werden boerderijen ook met een dwars geplaatst woonhuis gebouwd.
Oorspronkelijk hallehuis
De boerderijen op de Utrechtse zandgronden zijn hallehuizen van het meest oorspronkelijke type. Ze hebben afgewolfde schilddaken en lage zijgevels. Deze gevels waren nog tot het einde van de negentiende eeuw vaak uit hout opgetrokken. De Utrechtse hallehuisboerderijen hadden veel bijgebouwen. Vooral rond Amersfoort was daar vaak een houten tabaksschuur bij.
Boerderijen in Noord-Midden Limburg
In Noord- en Midden-limburg komen de hallehuis-, de langgevel- en de hofboerderij. voor. Hier vindt u een omschrijving van deze boerderijtypen.
Hallehuisboerderij
Bij de kleinere hallehuisboerderijen in Noord-Limburg waren de functies wonen, werken, veestalling en oogstberging onder één dak samengebracht. De grotere hallehuisboerderijen in dit gebied hadden een apart woonstalhuis en een aparte, vrijstaande dwarsdeelschuur.
Hofboerderij
De hofboerderij is net als de langgevel een latere ontwikkelingsvorm van het hallehuis. Je vindt ze vooral op de rijkere gronden in het Maasdal. Zo'n boerderij bestaat uit een aantal gebouwen rond een binnenplaats. De hofboerderijen in het Maasdal zijn minder gesloten dan die in het zuiden van Limburg. Op de hoge zandgronden ontwikkelden de grotere boerderijen zich tot eenvoudige hofboerderijen met een apart woonstalhuis en een meestal parallel eraan gelegen schuurgebouw. De afzonderlijke gebouwen van de meeste hofboerderijen zijn voor wat betreft hun constructie identiek
aan de langgevelboerderijen.
Langgevel
Tussen 1700 en 1750 is in Noord-Limburg de langgevel geïntroduceerd. Vanaf die tijd zijn er geen hallehuizen meer nieuw gebouwd. Bij de klassieke langgevelboerderij zijn alle functies onder één dak verenigd, altijd in de volgorde woonhuis, stal, schuur met deel.
Boerderijen Noord-Brabant
In Noord-Brabant komen drie boerderijtypen voor: varianten van het hallehuis, de langgevelboerderij en de boerderij met grote schuur.
Boerderij met grote schuur
Bij de boerderijen in West-Brabant en de Langstraat zijn stalruimte en oogstberging samen ondergebracht in een grote drie- of vierbeukige schuur. Soms was de schuur aan het woonhuis gebouwd, maar meestal stond die vrij.
Langgevelboerderij
Vanaf de zeventiende eeuw ontstond in Brabant de behoefte om het woongedeelte, de veestalling, de oogstberging en de dorsvloer onder één dak te brengen. Bovendien wilde men de indeling van de stal veranderen en het aantal woonvertrekken uitbreiden. Door dit alles ontstond uit het hallehuis de langgevelboerderij. Dit boerderijtype heeft een langgerekte, smalle plattegrond en alle toegangen bevinden zich in één van de lange gevels. De schuurdeur is vaak hoger dan de naastgelegen staldeur. Er moest immers een volgeladen oogstwagen door naar binnen kunnen rijden.
Varianten van het hallehuis
Na de Middeleeuwen was in heel Noord-Brabant het oorspronkelijke hallehuis het gangbare boerderijtype. Daarna zijn tal van plaatselijke varianten ontstaan. In het noorden van de provincie overheerste, net als in Gelderland, het type met de zijpotstal. Op de schrale zandgronden, waar de mestbehoefte groot was, was het type met de middenpotstal gangbaar.
Grotere boerderijen kregen vaak een aparte schuur voor de oogstopslag. Vanaf de zeventiende eeuw was de Vlaamse schuur populair, het eerst in de Baronie, later ook elders in de provincie. Dit is een driebeukig schuurtype, met een langsdeel in één van de zijbeuken.
Boerderijen in Zuid-Holland
Zuid-Holland kent de Rijnlandse boerderij, de boerderij met kameeldak en de boerderijen op de eilanden. Hier vindt u een beschrijving van deze boerderijtypen.
Boerderij met kameeldak
In de negentiende eeuw overstroomde het Zuidhollandse rivierengebied herhaaldelijk. Het gevolg was dat de boeren zich tegen dit gevaar gingen wapenen. Er werd bijvoorbeeld een waterzolder in de boerderij gemaakt, waarop hooi en vee droog bleven. Het bedrijfsgedeelte kreeg daardoor een hoger dak. In de Alblasserwaard werd het niveauverschil tussen de daken van het woonhuis en het bedrijfsgedeelte vaak vloeiend overbrugd, waardoor er een opwelvend dak ontstond. Dat wordt een 'kameeldak' genoemd.
Boerderijen op de eilanden
Op de Zuid-Hollandse eilanden overheerste het akkerbouwbedrijf. De boerderijen bestonden er uit grote schuurgebouwen, waaraan het huis was vastgebouwd. De oudste schuren hadden de inrijpoorten steevast in een lange gevel. Later werd een langsdeel toegepast, terzijde van de middenbeuk van de schuur, met inrijpoorten in de korte voor- en achtergevel.
Rijnlandse boerderij
Ook in Rijnland, Delfland en Schieland zijn de boerderijen aangepast aan het pure veeteeltbedrijf. Uit het hallehuis is hier een lang en smal boerderijtype ontstaan, met hoge zijgevels. Omdat in deze gebieden de boterproductie overheerste, was er behoefte aan een grote melkkelder. Daarvoor werd de bestaande kelder in een van de zijbeuken uitgebouwd. Daarbij moest ook de opkamer boven de kelder worden vergroot.
Boerderijen in Gelderland
In Gelderland komen drie verschillende typen boerderijen voor: hallehuisboerderijen in de Achterhoek, Veluwse boerderij en T- en krukhuisboerderij. Hier vindt u een beschrijving van deze boerderijtypen.
Hallehuisboerderijen in de Achterhoek
De hallehuisboerderijen in de Achterhoek hebben veel verschillende verschijningsvormen. De boerderijen in het oostelijk deel van de Achterhoek vertonen veel overeenkomsten met de hallehuisboerderijen in Twente. Ze hebben vaak topgevels, onderschuren en endskamers. Elders in de Achterhoek komen ook schilddaken en wolfseinden voor en ook T- en krukhuisboerderijen zijn er geen uitzondering.
T- en krukhuisboerderijen
T- en krukhuisboerderijen komen op meerdere plaatsen in het verspreidingsgebied van het hallehuis voor. De meeste tref je echter aan op de vruchtbare rivierkleigronden langs de IJssel en de grote rivieren. Bij de krukhuisboerderij is het woonhuis naar één kant uitgebouwd en bij de T-huisboerderij naar twee kanten. Vooral in de Tielerwaard hebben deze boerderijen soms grote overstekken boven de deeldeuren in de achtergevel.
Veluwse boerderij
De boeren op de schrale, Veluwse zandgronden hadden het niet breed. De boerderijen die zij lieten bouwen, waren dan ook in het algemeen klein en eenvoudig. Net als elders in Gelderland hadden ze veel bijgebouwen, zoals kapbergen, schuurtjes en een vaak kleine schaapskooi.
Boerderijen in Overijssel
In Overijssel komen vier boerderijtypen voor: het los hoes, de Twentse boerderij, de Staphorster boerderij en de vaarboerderij.
Los hoes
Het los hoes is de eenvoudigste vorm van het hallehuis. Dit type heeft geen scheidingsmuur tussen het woonhuis en het bedrijfsgedeelte, waardoor mens en dier in een ongedeelde ruimte leefden. Het los hoes had een vrijliggende vuurplaats zonder rookvang. De rookgassen moesten zich door de zoldering een weg naar buiten zoeken. Dit traditionele boerderijtype heeft zich met name in Twente en de Achterhoek tot het begin van de twintigste eeuw kunnen handhaven.
Twentse boerderij
Kenmerkend voor de hallehuisboerderijen in Twente zijn de zadeldaken, met de houten topgevelschotten en de in de achtergevel teruggeplaatste deeldeuren, de zogenaamde 'onderschuur'. Verder hadden veel Twentse boerderijen vroeger een endskamer, een vertrek dat tegen de korte voorgevel van de boerderij was aangebouwd. Vaak deed deze kamer dienst als woonvertrek voor de inwonende (groot)ouders.
Vaarboerderij
Met name in de noordwesthoek van Overijssel komen veel varianten voor van het hallehuis. Typerend voor het vochtige gebied rond Giethoorn zijn de zogenoemde 'vaarboerderijen'. Ze hebben vaak 'kameeldaken'. Die zijn ontstaan toen de oogsten groeiden en de boeren hun bedrijfsgedeelte moesten verhogen en verbreden.
Staphorster boerderij
Staphorster boerderijen hebben een extra hooitas achter de koestal. Daardoor zijn ze opvallend lang. De stal- en deeldeuren bevinden zich in een lange zijgevel en vaak hebben deze boerderijen een houten schoorsteen. Heel opvallend zijn de kleuren waarin de Staphorster boerderijen zijn geschilderd: grasgroen, lichtblauw en wit.
Boerderijen in Drenthe
In Drenthe komen de Drentse boerderij en de boerderij met zijbaander voor. Hier vindt u een beschrijving van beide boerderijtypen.
Boerderij met zijbaander
In de loop van de negentiende eeuw namen in Drenthe de veestapels in omvang toe en werden de hooioogsten groter. Men wilde het hooi toen dichter bij het vee opslaan en koos voor een hooiopslag op het laatste stuk van de deel. Omdat daardoor de deeldeur in de achtergevel werd geblokkeerd, werd die verplaatst naar een zijgevel. Voor deze oplossing werd vooral in het zuidwesten van Drenthe gekozen.
Drentse boerderij
In de Drentse boerderijen werd de graanoogst vroeger op de slietenzolder boven de deel bewaard. Het hooi voor het vee werd in een smalle hooischuur opgeslagen. Die was meestal tegen de achtergevel van de boerderij aangebouwd of lag er kort achter. Vaak werden voorde wanden van de schuur natuurlijke bouwmaterialen gebruikt, zoals stro en hout.
Gepubliceerd op: 04 juni 2009
Laden ...
Jam en chutneys
Warme en koude dranken
IJsrecepten
Feestrecepten
Seizoensrecepten
Streekgerechten
Bakrecepten
Zelf bouwen
Schikkingen
Handwerken
In de tuin
Zelf wijn maken
